hervinden
scheefhangend
in de basis
tracht het lood
te bepalen
waar onder en
boven
uitreiken naar
enige
werkelijkheid
twee werelden
Een grens van essentieel belang. Twee werelden. Waarvan één in het verborgene, ongezien en ongenoemd. De ander in het openbaar, schijnbaar de enige. In geen geval bedoeld om door elkaar te lopen. Teloorgang van deze strikte scheiding betekent ten onder gaan.
Echter, sluipenderwijs begint er iets te sijpelen. Het valt nog te negeren en toe te dekken, maar niet lang meer. Mijn ogen willen zich er buiten houden. Het tweeledige van deze werkelijkheid kunnen zij niet aan. De oogleden sluiten zich en doen een poging de nieuwe situatie te ontkennen. Niet gezien dus niet bestaand. Korte tijd is dit vol te houden. Op den duur zal echter de dam doorbreken. De gevolgen zijn niet te overzien.
Leven laat zich uiteindelijk niet inperken. Gescheiden delen richten zich weer op compleetheid. Het gordijn, wat blijvend tussenhangsel leek, begint te scheuren. De stof vergaat, slijtageplek wordt kier en opening. Twee werelden zoeken elkaar te bevruchten.
Paniek slaat toe. Hardnekkige pogingen om de zaken gescheiden te houden, falen. Het verborgene dringt zich op en laat zich niet meer ontkennen. Het wil zich mengen met de dagelijkse dag.
Mijn eigen zijn laat van zich horen, wenst als geheel aan bod te komen.
bestemming
Mijn nieuwe huis is een ècht huis. Met eigen hoeken en aardigheden, een heuse zolder en kelder. Vanaf het moment dat ik erin trek, hangt het gordijn er. Niet bij een raam, maar voor de muur langs de trap. Ik schenk er geen aandacht aan, beschouw het als een deel van de wand. Totdat de nachtmerries zich aandienen. Ze lijken uit de blijkbaar aanwezige ruimte achter het gordijn te komen. Wanneer ik wakker ben, probeer ik het te negeren. Ik weiger te accepteren dat mijn huis groter is dan ik denk. Natuurlijk lukt dat niet. Hoe hardnekkiger mijn pogingen tot ontkennen en vergeten, des te nadrukkelijker wordt de aanwezigheid van de ruimte achter het gordijn.
Op een dag besluit ik tot daadkracht. Ik zal eindelijk eens mijn moed bij elkaar schrapen en de confrontatie aangaan. Met het zweet onder mijn oksels schuif ik de zware stof opzij. En schrik me kapot. Vanuit een reusachtige spiegel, kijk ik mezelf recht in de ogen. Dit is geen spiegelbeeld! Met een ruk trek ik het gordijn weer op zijn plaats, vlieg naar beneden de kamer in. Op de bank probeer ik met een kop sterke koffie weer tot mezelf te komen. Hier moet ik wat mee. Met lood in mijn schoenen tijg ik weer naar boven. Ik zet mijn voeten stevig op de grond en trek langzaam het gordijn open. En daar zijn we weer, met zijn tweeën. Mijn dubbele ik net zo aanwezig als ikzelf. Aarzelend leg ik mijn handen tegen het glas en kijk. Op dat moment verdwijnt de spiegel en sta ik, nu alleen, aan de andere kant van de muur.
Het duurt even voor mijn hart het gewone ritme weer te pakken heeft. En nog langer voor ik besluit in beweging te komen. Aarzelend loop ik een gang door die bij een trap uitkomt. Na het afdalen van enige treden, stuit ik op een ladder. Beneden gekomen tref ik mezelf aan, op de grond zittend met mijn voeten geketend aan een loden kogel. Tot mijn verbazing kost het weinig moeite om de bal los te laten, en de ladder weer te beklimmen. Boven kijk ik door een opening naar buiten, waar een menigte zich in een reidans voortbeweegt. Ik vind mezelf terug op de tak van een grote boom met onder mij een lege plek in die dansende rij. En realiseer me dat het mìjn plaats is. Het enige wat ik hoef te doen is deze in te nemen …
zonder
mijns ondanks
kom ik soms
tot lachen
of tot huilen
zonder dat ik
mij achter
een logica kan
verschuilen
